Herijken bedrijfsstrategie door Melkveewet

Nieuws

Herijken bedrijfsstrategie door Melkveewet

Gepubliceerd op
5 januari 2015

Staatssecretaris Dijksma komt voor 1 maart met een voorstel hoe ze de grondgebondenheid alsnog in de melkveewet op gaat nemen. Ter voorbereiding hiervan is door het LEI een verkenning uitgevoerd, waarin verschillende varianten zijn doorgerekend. Koeien & Kansen melkveehouder Dekker volgt de discussie nauwlettend, aanzien de keuze een behoorlijke impact kan hebben op de bedrijfsstrategie.

Johan en Carla Dekker melken nu 160 melkkoeien op 45 hectare vruchtbare kleigrond in Zeewolde. Dit komt neer op een intensiteit van 30.000 kg melk per hectare. De in 2010 gebouwde stal biedt ruimte voor 250 melkkoeien. De gefaseerde uitbreiding kan worden gerealiseerd mits de extra geproduceerde fosfaat verantwoord kan worden verwerkt en/of op extra grond kan worden geplaatst. In welke mate extra fosfaat kan worden verwerkt en/of er extra grond nodig is voor fosfaatplaatsingsruimte, zal sterk afhangen van de uitwerking van de mate van grondgebondenheid in de melkveewet.

Drie beleidsvarianten rondom grondgebondenheid

Het LEI heeft drie beleidsvarianten uitgewerkt.

  • Variant 1: Grondgebondenheid gekoppeld aan een norm voor het fosfaatoverschot per hectare. Als normen zijn doorgerekend 50, 80 en 100 kilogram fosfaat.
  • Variant 2: Grondgebondenheid gekoppeld aan maximaal drie graasdiereenheden per hectare.
  • Variant 3: Grondgebondenheid gekoppeld aan de fosfaatplaatsingsruimte van het bedrijf. 

Bij uitbreiding van de fosfaatproductie mag slechts een deel van de extra fosfaat worden verwerkt. Het overige deel moet op grond worden geplaats. Door het LEI zijn de volgende normen verkend: 20, 50 en 80 procent van de fosfaatplaatsingsruimte dat maximaal verwerkt mag worden.

Dieraantallen tellen

Variant 2 is simpel staarten tellen en voor Koeien & Kansen deelnemer Johan Dekker betekent dat voor alle extra koeien die worden gehouden ook extra grond nodig is, want de huidige intensiteit ligt al boven de 3 GDE/ha. De opties in variant 1 en 3 zijn gekoppeld aan de fosfaatplaatsingsruimte op eigen grond. Deze kan forfaitair en bedrijfsspecifiek worden bepaald. Het wetsvoorstel van de staatssecretaris biedt ruimte voor toepassing van de vrije bewijslast. Dit betekent dat met aantoonbare betere prestaties gerekend mag worden. Hier kan de Kringloopwijzer voor worden gebruikt.

Fosfaatplaatsingsruimte vaststellen

De bedrijfseigenfosfaatplaatsingsruimte (BEP) op eigen grond, gebaseerd op de kringloopwijzers van 2012 en 2013 en de opgestelde prognose van 2014, is bij 100 procent grasland 125 kilogram. Het jaar 2014 is door het zeer groeizame jaar positief voor de gemiddelde fosfaatonttrekking van de laatste drie jaar. Wanneer we daar de door de LEI doorgerekende normen bij optellen is maximale fosfaat productie per hectare uit te rekenen, die kan worden geplaatst en maximaal mag worden verwerkt. Met de melk- en fosfaatproductie per koe is vervolgens te berekenen wat de maximale melkproductie per hectare is. Deze zijn respectievelijk 8100 kilogram melk en 54 kilogram fosfaat.

Varianten BEP Max. fosfaat Max. melkproducti/ha*
P50 (max. 50 kg fosfaatoverschot/ha) 125 175 26.250
P80 125 205 30.750
P100 125 225 33.750
P20%(mestverwerking max. 20% van fosfaatruimte) 125 150 22.500
P50% 125 187 28.050
P80% 125 225 33.750

* Maximale melkproductie per ha op het bedrijfsareaal.

De fosfaatreferentie is gebaseerd op het jaar 2013, toen lag de intensiteit op 30.000 kg melk per hecatre. Dit betekent dat alleen de varianten P80, P100 en P80%, nog ontwikkelingsruimte geven op het bestaande areaal, wanneer gerekend wordt met de bedrijfseigenfosfaatnorm (BEP). Door deelname aan de fosfaatevenwichtsbemestingspilot mag deze worden toegepast. In alle andere gevallen zal uitbreiding van het aantal melkkoeien ook direct betekenen dat extra grond geregeld moet worden.

Anticiperen op het komende beleid

Anticiperend op de komende wetgeving heeft melkveehouder Dekker een jaar geleden al besloten op het bedrijfsareaal uitsluitend gras te telen. De benodigde maïs wordt nu volledig aangekocht. Daarnaast kan de fosfaatexcretie van de veestapel nog worden verlaagd, door scherper te voeren of zelfs de gehele jongvee-opfok uit te besteden. Een laatste optie is de samenwerking met een akkerbouwer in de regio aan te gaan in de vorm van grondruil, waardoor de mestplaatsingsruimte en voerpositie kan worden verruimd. Wanneer de melkveewet definitief is zal Johan zijn bedrijfsstrategie herijken, gebaseerd op de economische consequenties van de keuzes.