Hoeveel stikstof levert uw bodem?

Nieuws

Hoeveel stikstof levert uw bodem?

Gepubliceerd op
28 oktober 2015

Om de ammoniakemissie op veengrond te verminderen en de stikstofbenutting te verbeteren biedt de mineralisatie in de grond mogelijkheden. Het netwerk 'Waarheen met ammoniak op veen?' zocht naar een betere afstemming van de najaarsbemesting. De deelnemers signaleerden dat er in mineralisatie tussen veengronden een wereld van verschil zit. Een praktijkproef moet inzicht geven in de mineralisatie en N-levering.

Een deel van de voor de plant beschikbare stikstof komt uit de bodem. Deze stikstof ontstaat door de afbraak van organische stof in de bodem, en wordt mineralisatie genoemd. De mineralisatie komt in de loop van het seizoen op gang onder invloed van de bodemtemperatuur. Deze is in de tweede helft van het seizoen het hoogst. Als de bodemtemperatuur daalt gaat ook de mineralisatie langzaam dalen.
Omdat veengrond voor het grootste deel uit organische stof bestaat is de mineralisatie daar in het tweede deel van het seizoen altijd zeer hoog. De leidt op veenbedrijven tot hoge ruw eiwitgehalten in een deel van de kuilen, met name de najaars kuilen. Mede daardoor ligt het gemiddelde ruw eiwitgehalte op rantsoenniveau op veenbedrijven hoger. Dit hogere niveau aan ruw eiwit met vaak een lager niveau aan energie leidt tot een lagere stikstofbenutting. Dit betekent onder andere minder of geen BEX-N voordeel in de kringloop en meer NH3 emissie.

Grote verschillen in veengronden

Twee kluiten van verschillende locaties: verschillende ontwatering, verschillend N-totaal; zelfde NLV op het bodemmonster.
Twee kluiten van verschillende locaties: verschillende ontwatering, verschillend N-totaal; zelfde NLV op het bodemmonster.

In een bijeenkomst van het praktijknetwerk 'Waarheen met ammoniak op veen' kwam de studiegroep 'bodem' tot de conclusie dat het benutten en sturen van de mineralisatie een belangrijke manier is om te komen tot een hogere stikstof benutting en een lagere ammoniakemissie.
De huidige bemestingsonderzoeken geven hiervoor op veengrond nog geen goede aanknopingspunten. Alle veengrond staat standaard op 250 NLV (stikstof leverend vermogen). In werkelijkheid zitten er grote verschillen in veengronden tussen de N-levering, onder andere afhankelijk van de veensoort. Een potentiƫle indicatie hiervoor is het kenmerk N-totaal op de bodemuitslagen. Ook de ontwateringsdiepte van de veengrond speelt een grote rol bij de hoogte van de mineralisatie.

Oftewel de standaard bemestingsadviezen zijn afgestemd op de gemiddelde veengrond terwijl er in werkelijkheid grote verschillen zijn tussen veengronden. Hierdoor is het op veengrond lastig om de bemesting, vooralin de tweede helft van de zomer en het najaar af te stemmen op de behoefte van de grond.

Minder kunstmest bij hoge mineralisatie  

Als de mineralisatie hoog is, is de behoefte aan stikstof uit kunstmest automatisch een stuk lager. In de praktijk schromen veel veehouders op veen om de kunstmestgift in de nazomer te verlagen of zelfs te stoppen. Terwijl dit vaak wel zou kunnen, dit is terug te zien aan kuiluitslagen met gehalten van meer dan 200 ruw eiwit, terwijl er voor die snede ook nog kunstmest is gestrooid. Deze hoge gehalten aan ruw eiwit zijn in praktijk vaak lastig te benutten.

Kunstmest is op dat moment niet nodig, er is genoeg stikstof beschikbaar voor het gewas. Een veelgehoord argument voor een nazomer en najaars kunstmest gift is het voorkomen van roestvorming. Vaak echter is de deze roest geen roest maar bladvlekkenziekte. Bladvlekkenziekte voorkom je niet met een najaars kunstmest gift. Het verschil kunt u zelf zien; roestvorming veeg je van het blad, bladvlekken ziekte niet.

Meer inzicht in bodem nodig

De studiegroep bodem kwam tot de conclusie dat een beter inzicht in de mineralisatie van onze veenbodems nodig is en dat het huidige advies verbetering en verdieping nodig heeft.  
De studiegroep bodem wil een eerste stap naar beter inzicht in de mineralisatie van de eigen percelen zetten. Daarvoor gaat de groep aan de slag met het opzetten van een praktijkproef waarmee we de mineralisatie en N-levering op onze percelen inzichtelijker willen krijgen. Meer informatie over deze proef volgt in een later nieuwsbericht.  

Verschillen in N-totaal op veengronden

De studiegroep bodem zag in hun bodemuitslagen grote verschillen (factor 3) tussen de N-totaal in hun bodems. Het NLV van alle veengronden in de groep was echter 250 (zie figuur 1 en 2)

Figuur 1: veengrond met een lage N-toaal en een NLV van 250

tabelllejte.png

Figuur 2: : veengrond met een hoog N-totaal en een NLV van 250

tab.png