BEP voordeel op grasland beperkt

Nieuws

BEP voordeel op grasland nog beperkt

Gepubliceerd op
2 februari 2015

De droge stofopbrengsten van gras- en maïsland nemen in de praktijk toe naarmate de intensiteit op een bedrijf hoger is. Op basis van cijfers over 2013 realiseerden alleen intensieve bedrijven op grasland een hogere fosfaatopbrengst dan de generieke gebruiksnorm 2015. Op maïsland is de fosfaatopbrengst meestal hoger dan de gebruiksnorm.

In deel 1 van deze serie over de KringloopWijzer werd duidelijk gemaakt dat door een verhoging van de bedrijfsbenutting de voerkosten dalen. Wil je de bedrijfsbenutting structureel verhogen dan leidt focus op een hogere bodembenutting tot het beste resultaat. In deel 4 is aandacht geschonken aan beter benutten van de bodem. In dit deel richten we ons meer op de opbrengsten van droge stof en fosfaat afhankelijk van het bedrijfstype (grondsoort en intensiteit). Dit doen we zowel voor grasland als maïsland op basis van 600 ingevulde KringloopWijzers over het jaar 2013.

Grasland

Opvallend is dat de droge stofopbrengst toe neemt naarmate de intensiteit van een bedrijf (Tabel 1) toeneemt. Intensieve bedrijven zijn mogelijk meer bezig met hun gewassen om voeraankoop te beperken dan de extensievere collega's. Op kleigrond is de toename het hoogst en op veengrond het laagst. De toename in droge stofopbrengst gebeurt zonder een duidelijke toename van de fosfaatbemesting. Deze neemt namelijk nauwelijks toe met de intensiteit. Gelijk met de droge stofopbrengst neemt de fosfaatopbrengst ook toe met de intensiteit en in mindere mate de fosfaatbenutting. Wat opvalt is dat op veel bedrijven de fosfaatopbrengst lager is dan de gebruiksnorm van 2015 (90 kilogram per hectare bij de toestand neutraal). Alleen bedrijven met een intensiteit hoger dan 18 ton melk per hectare hebben een voordeel van de bedrijfsspecifieke gebruiksnorm (BEP) in 2015. Dit zijn resultaten van één jaar (2013) en voor gebruik van BEP zijn drie jaargangen nodig. Dus het zegt niet alles, maar het geeft wel een indicatie dat een voordeel halen met BEP niet vanzelfsprekend is voor alle bedrijven. De groeiomstandigheden, zoals weer, bodem en vochthuishouding moeten in orde zijn. Ook het beheren van grasland met  een passende bemesting, beweiding en oogsten van het gewas.

Tabel 1  Fosfaatbemesting, -opbrengst en –benutting en de droge stofopbrengst van grasland afhankelijk van grondsoort en intensiteit

tabel1.JPG

Maïsland

Op veengrond is maïsteelt nauwelijks mogelijk. Er waren te weinig bedrijven voor betrouwbare resultaten op veengrond. Om die reden beperken we ons tot de bedrijven op klei en zand. Net als bij het grasland neemt ook bij maïsland de droge stofopbrengst toe naarmate de intensiteit hoger wordt (Tabel 2). Op kleigrond is de toename het hoogst. Bij de fosfaatbemesting zien we nauwelijks verschil tussen de intensiteit. Wel wordt er op zandgrond minder fosfaat toegediend dan op kleigrond. Zowel de fosfaatopbrengst als de –benutting neemt toe met de intensiteit. In tegenstelling tot grasland is bij maïsland de fosfaatopbrengst in alle groepen hoger dan de generieke bemestingsnorm van 2015 (60 kg fosfaat per ha bij de fosfaattoestand neutraal). Daardoor halen de meeste bedrijven voor maïsland wel een voordeel met de BEP.

Tabel 2  Fosfaatbemesting, -opbrengst en –benutting en de droge stofopbrengst van maïsland afhankelijk van grondsoort en intensiteit

tabel2.JPG

Grasland is belangrijk

In vorige afleveringen hadden we al geconstateerd dat een goede bodembenutting belangrijk is voor een goede benutting op bedrijfsniveau (zie deel 2 en deel 4). Grasland is veruit het grootste areaal binnen een bedrijf en dus belangrijk in de (hoeveelheid) voederwinning. Grasland is meer bepalend voor de hoogte van de stikstofbenutting van het bedrijf dan maïsland (Figuur 1). Toch wordt in de praktijk grasland bij de bemesting vaak als ‘sluitpost’ gezien. Het N-bemestingsadvies voor maïsland is 200 – Nmin in voorjaar – N uit vanggewas – N uit ondergeploegde graszode. In de praktijk komt dit vaak niet boven de 160 kg N uit. De werkelijke bemesting, met kunstmest en drijfmest, van het maïsland bedroeg in 2013 gemiddeld 165 kg N per ha met een spreiding van 120 tot 215 kg N per ha. Gemiddeld wordt het maïsland volgens het advies bemest. De overgebleven beschikbare meststoffen gaan naar het grasland.

Droge stofopbrengsten nemen toe

Het verband tussen stikstofbenutting van het bedrijf en droge stofopbrengsten van gras
Het verband tussen stikstofbenutting van het bedrijf en droge stofopbrengsten van gras
 Het verband tussen stikstofbenutting van het bedrijf en droge stofopbrengsten van maïs
Het verband tussen stikstofbenutting van het bedrijf en droge stofopbrengsten van maïs

Droge stofopbrengsten van gras- en maïsland nemen toe bij een hogere intensiteit. Om voerkosten te besparen vinden intensievere bedrijven hoge gewasopbrengsten waarschijnlijk belangrijker dan bedrijven met voldoende grond. Maar ook deze bedrijven kunnen zorgvuldiger omgaan met het mineralenbeheer van hun grond. Dat leidt ook tot kostenbesparing. Afhankelijk van de groeiomstandigheden, waarop het weer, de bodem en vochthuishouding van invloed zijn. Toch is er nog veel te verdienen met het beheer van bemesting, beweiding en oogsten. En onderschat hierbij niet het belang van het grasland, dat een grote bijdrage levert voor een goede bedrijfsbenutting.