Vanaf 2006 gaat een nieuw mestbeleid met gebruiksnormen gelden. Voor de melkveehouderij betekent dit
grofweg dat de berekende (forfaitaire) mestproductie in balans moet zijn met de plaatsingsruimte voor
organische mest. Bedrijven die meer stikstof met organische mest produceren dan zij kunnen plaatsen,
moeten dit afvoeren. Bedrijven met derogatie (> 70 % grasland) mogen 250 kg stikstof uit organische
mest plaatsen. Bedrijven zonder derogatie (< 70 % grasland) mogen "slechts" 170 kg stikstof uit
organische mest plaatsen. Naast de gebruiksnormen voor organische mest, gelden in het mestbeleid
vanaf 2006 ook gebruiksnormen voor werkzame stikstof en fosfaat. Dit betreft zowel de kunstmest als
het werkzame deel van de organische mest. Deze gebruiksnormen zijn afhankelijk van de grondsoort,
de teelt, weidegang (bij grasland) en jaartal van mestwetgeving.
Verder geldt een forfaitaire werkingscoefficient voor de stikstof in de organische mest. Deze is
afhankelijk van de het gewas, beweiding (bij grasland) en jaartal van mestwetgeving.
Voor veel melkveehouders is onduidelijk of en hoeveel mest zij moeten afvoeren, hoeveel kunstmest
zij nog kunnen gebruiken en wat de werkelijke bemesting voor hun bedrijf kan zijn.
Het doel is om melkveehouders inzicht te geven in gevolgen van het mestbeleid met gebruiksnormen voor
hun (kunst)mestgebruik. Het programma berekent:
- de benodigde hoeveelheid mestafvoer
- de maximale hoeveelheid aan te kopen kunstmest
- de werkelijke stikstof- en fosfaatgift per ha grasland
Het programma beperkt zich tot de melkveehouderij die vooral met gras- en maïsland werken.
Als de "Gebruiksnormenwijzer" wordt gestart, dan komt het "Invoerblad" in beeld. Hier dient de gebruiker de weergegeven bedrijfsgegevens in te vullen om inzicht te krijgen in de gevolgen van het mestbeleid. Achter een aantal invoerparameters staat een "info". Door hier op te klikken verschijnt een toelichting. Door bijvoorbeeld op "info" achter "Jaartal van mestwetgeving" te klikken, verschijnen alle gebruiksnormen en werkingscoefficienten waarmee gerekend wordt. Als alle invoergegevens nauwkeurig ingevuld zijn, dient linksonder op rekenen geklikt te worden. Het resultaat wordt dan doorgerekend. Op het "Uitvoerblad" staan de resultaten.
Om de eenvoud van het rekenprogramma is de invoer beperkt gebleven. Daarom zijn veel gegevens als standaard of
normatief genomen. Deze zijn zo reëel mogelijk ingeschat. Deze gegevens hebben een gering effect op de berekening.
Zo is bijvoorbeeld op basis van onderzoek, aangevuld met kennis van experts, een drijfmesttoediening op het grasland
in de nazomer en najaar (lagere stikstofwerkingscoefficient) verondersteld, zoals hieronder is weergegeven.
Aandeel drijfmest in najaar:
- Onbeperkt weiden: 10%
- Beperkt weiden: 20%
- Beperkt standweiden: 20%
- Zomerstalvoedering:30%
- Summerfeeden: 30%
De veronderstelde stikstofwerkingscoefficienten bij toediening van drijfmest op grasland in de nazomer en
najaar zijn 25% voor de zand- en kleigronden en 28% voor de veengronden. In het voorjaar en zomer zijn deze 50%
voor zand- en kleigronden en 40% voor de veengronden. De stikstofwerkingscoefficient op maisland bedraagt 60%.
Dit rekenprogramma is ontworpen door het Praktijkonderzoek van de Animal Sciences Group in het kader van onderzoeksprogramma 414.2 "netwerken in de veehouderij" dat gefinancierd wordt door LNV. Aan de uitkomsten van het rekenprogramma kunnen geen rechten ontleend worden. Voor meer informatie kunt u contact opnemen met projectleider Michel de Haan (michel.dehaan@wur.nl).
- Website LNV: www.hetlnvloket.nl
- Derde Nederlandse actieprogramma (2004-2009) inzake de Nitraatrichtlijn; 91/676/EEG
- BedrijfBegrotingsProgramma Rundveehouderij (BBPR)
- KWantitatieve INformatie Veehouderij (KWIN 2004-2005)
- Handboek Melkveehouderij
![]() |
Klik hier voor de veehouderijwebsite van de Animal Sciences Group |