Anticiperen op signalen in de KringloopWijzer

Nieuws

Anticiperen op signalen in de KringloopWijzer

Gepubliceerd op
1 december 2016

In de KringloopWijzer zitten verschillende soorten signaleringen, zowel bij de invoer als bij de uitvoer. Dit helpt u bij het invullen van een correcte KringloopWijzer. Een overzicht van de tien belangrijkste signaliseringspunten bij het invullen en interpreteren van de KringloopWijzer.

Verschillende soorten signaleringen

In de KringloopWijzer zitten twee soorten signaleringen; Invoersignaleringen en Resultaatsignaleringen.
Bij ‘Invoersignaleringen’ wordt gekeken of de ingevoerde waarde binnen de gestelde minimum en maximum grenzen valt of dat er een oneigenlijke combinatie met andere invoer is. Bijvoorbeeld eindvoorraden van jaar 2015, die ook weer exact gelijk moeten zijn aan de beginvoorraden van jaar 2016.
Bij de 'Resultaatsignaleringen' gaat het erom of resultaten van berekeningen tot acceptabele uitkomsten leiden en vervolgens aanwijzingen geven voor een foutieve invoer. Deze worden ook wel ‘kruisverbanden’ genoemd. Een signalering is niet per definitie altijd een fout. Het is wel een indicatie dat een waarde echt afwijkt van wat normaal wordt ingevoerd of als resultaat uit de KringloopWijzer komt. Onderstaand worden een aantal van de signaleringen kort toegelicht.

Invoersignaleringen

1. Bedrijfskengetallen
Voor de gehaltes van vet, eiwit en ureum in de melk wordt gecontroleerd of deze binnen de gestelde grenswaarden vallen. Daarnaast wordt gecontroleerd of een reële hoeveelheid koeien wordt afgevoerd. Om te voorkomen dat per ongeluk ‘0 koeien’ bij de afvoer vermeld staan.

2. Beginvoorraad voer
De beginvoorraad van het lopende jaar wordt vergeleken met de eindvoorraad van het voorgaande jaar voor volgende onderdelen: Droge stof, VEM, Re, P en RAS voor de totale voorraden van graskuil, mais, overige ruwvoer, krachtvoer en melkpoeder. De beginvoorraad van het lopende jaar moet namelijk gelijk zijn aan de eindvoorraad van het voorgaande jaar.

3. Voerpartijen
Voor de gehaltes en hoeveelheden voer van de beginvoorraad, aangelegd voer en eindvoorraad voer, wordt per partij hooi, graskuil, snijmaïskuil, overig voer, krachtvoer en melkpoeder gecontroleerd of de waardes binnen de gestelde grenswaarden zitten.

4. Teelt gewassen
Voor de hoeveelheid zelf geteelde maïs en akkerbouwgewassen, wordt gecontroleerd of de gewasopbrengst binnen de gestelde grenswaarden ligt, ook wordt gecontroleerd of de oppervlakte akkerbouwgewassen goed is ingevuld of dat er nog braak land overblijft.

5. Organische mest
Voor staldierenmest, aangevoerde mest, afgevoerde mest, beginvoorraad, eindvoorraad van vaste mest en drijfmest wordt bepaald of de gehaltes van stikstof en fosfaat binnen de gestelde grenswaarden liggen.

6. Kunstmestsoorten
Voor de stikstof- en fosfaatgehaltes per partij kunstmest wordt bepaald of deze binnen de grenswaarden vallen. Een gehalte aan N of P kan 100% zijn. In dat geval heeft de gebruiker of leverancier niet het volume kunstmest, maar het volume zuivere N of P aangeleverd. In de andere gevallen moet het gehalte kleiner dan 50% zijn.

Resultaatsignaleringen

7. Tekorten mest
Voor de verschillende mestsoorten wordt het verschil tussen beginvoorraad + productie + aanvoer - afvoer vergeleken met de eindvoorraad. Als de eindvoorraad hiervan afwijkt komt er een attentie. Ook kan er een attentie komen als een te hoge toediening op maïs, beheersland of akkerbouwland is ingevuld en deze hoeveelheid drijfmest of vaste mest niet aanwezig is.

8. Rantsoenkenmerken
Voor rantsoenkenmerken van het KringloopWijzer-rantsoen wordt bepaald of deze binnen de gestelde grenswaarden zitten. Het gaat hier om gehalte van VEM, Re en P in het totale rantsoen, evenals de totale  hoeveelheid verbruikt krachtvoer.

9. BEX-berekening
De afwijking van de opgegeven voerhoeveelheden (met voorraden en aanleg) wordt berekend ten opzichte van de berekende voeropname met KringloopWijzer (op basis van voerbehoefte). Dit wordt ook wel het verschil in VEM-dekking genoemd. Maar het gaat hierbij ook om droge stof, N en P. Als deze buiten de gestelde grenswaarden komt, volgt een signalering.

10. BEP berekening
De afwijking van de opgegeven gewasopbrengst (berekend met aanleg) ten opzichte van de berekende gewasopbrengst (via BEP). Als de gemeten en berekende gewasopbrengst > 20 % van elkaar afwijkt, volgt een signalering. Daarnaast zal een signalering volgen als de berekende absolute hoeveelheid buiten de grenswaarden valt.

Anticiperen op signaliseringen

Voor de KringloopWijzer die in de komende periode ingevuld gaat worden verwachten we vooral (extra) signaleringen op die bedrijven waar nog niet alle machtigingen goed zijn verstrekt aan de voer- en meststoffenleveranciers. Hierdoor kunnen voer- of mestgegevens sterk afwijken van de verwachte waarden als er niet handmatig voor gecorrigeerd wordt om alsnog de invoer compleet en correct te krijgen. Ga de komende weken aan slag om de machtigingen in de KringloopWijzer compleet te maken!