Nieuws

Koeien & Kansen-deelnemers halen 33% P-benutting door vee

Gepubliceerd op
6 april 2012

Van alle Koeien & Kansen-bedrijven is de BEX over 2011 in beeld. Dit levert voor het project én voor de sector een schat aan informatie. Regelmatig doen we hier een greep uit. Zo is de fosfaatefficiëntie (fosforbenutting) van het vee momenteel een belangrijk item. Gemiddeld realiseerden de Koeien & Kansen-deelnemers in 2011 een al efficiëntie van 33%. Behoorlijk hoog, maar met een variatie van 28 tot bijna 40%. Een gemiddelde efficiëntie van 33% lijkt overigens ook voor de sector goed haalbaar. In een verkenning is gekeken wat er nodig is om te komen tot een efficiëntie van 36%. Daaruit blijkt dat het met name voor ‘gras’-bedrijven lastig wordt om dit alleen via krachtvoer te halen. Maar in combinatie met andere voedingsmaatregelen is het niet onmogelijk.

De gemiddelde fosfaatefficiëntie van de veestapel op de Koeien & Kansen-bedrijven is in 2011 33% (figuur 1). Dit is hoger dan in 2009 en een fractie lager dan in 2010, maar de variatie is groot. Dit komt door de verschillende voedermiddelen, krachtvoeders, bijproducten en de veestapel. De verbruikte hoeveelheden en de fosforgehalten bepalen samen met de productie de fosfaatefficiëntie. Rantsoenen met veel gras- en graskuil leiden vaak tot een lagere fosfaatefficiëntie dan rantsoenen met maïs. Ook fosforarme bijproducten (als pulp) zorgen voor een hogere efficiëntie dan andere bijproducten (als tarwegistconcentraat). Door het haast onvermijdelijke hoge aandeel grasproducten wordt voor Noord en West Nederland wel een streefwaarde van 31% genoemd en voor de rest van Nederland 36%.
Tussen 2010 en 2011 zit gemiddeld weinig verschil. Toch zijn de deelnemers wel degelijk actief geweest. Bij sommigen is de efficiëntie gestegen, maar bij anderen juist iets gedaald. Dit heeft onder andere te maken met overige doelen die de veehouders nastreven. Bijvoorbeeld vermindering van de methaanemissie. Bij sommige maatregelen neemt de methaanemissie af (wenselijk), maar daalt gelijktijdig ook minder wenselijke de fosfaatefficiëntie. Integraal werken op het bedrijf betekent dus soms dat je niet overal tegelijk ‘top’’ op kunt scoren.

Figuur 1 Fosfaatefficiëntie (%) van de veestapel van de Koeien & Kansen-bedrijven en De Marke voor de jaren 2009, 2010 en 2011
Figuur 1 Fosfaatefficiëntie (%) van de veestapel van de Koeien & Kansen-bedrijven en De Marke voor de jaren 2009, 2010 en 2011
Wat betekent een efficiëntie van 36%?

Een fosfaatefficiëntie van 33% is al heel mooi. Maar stel dat we naar 36% moeten. Wat dan? Als deze efficiëntieverhoging volledig via het krachtvoer willen realiseren, dan moet op de deelnemende bedrijven het fosforgehalte, bij een gelijke krachtvoergift, gemiddeld met 1,6 g P per kg krachtvoer dalen. Dat lijkt niet veel, maar voor een aantal bedrijven betekent dit dat het fosforgehalte richting de 1 g per kg gaat (figuur 2). Dit is praktisch onmogelijk. Om die efficiëntie te halen zijn dan dus ook aanpassingen in het rantsoen nodig. Bijvoorbeeld minder fosforrijke ruwvoerders en bijproducten gebruiken, of verhogen van de voerefficiëntie.

Figuur 2 Huidige fosforgehalte (gr/kg) in het krachtvoer voor de Koeien & Kansen-bedrijven en De Marke
Figuur 2 Huidige fosforgehalte (gr/kg) in het krachtvoer voor de Koeien & Kansen-bedrijven en De Marke
Daarnaast het gewenste fosforgehalte als je alleen via deze aanpassing de gewenste fosforefficiëntie van 36% wilt bereiken.
Noot: voor De Marke (DM) en de bedrijven 12 t/m 16 is geen aanpassing nodig.