Nieuws

Kennismaken met het landschap

Gepubliceerd op
12 maart 2013

Het netwerk: GLB brengt variatie in het landschap ging op pad met een groep burgers voor een Inspirerende ontdekkingstocht door het Achterhoekse landschap. Het landschap typeert zich door een verscheidenheid aan landschapstypen en kleinschaligheid. Met kenmerkende cultuurhistorische en landschapselementen tussen de vele landbouwpercelen.

Met voldoende theoretische kennis op zak gingen 25 IVN-ers op 2 maart het (agrarische) landschap ontdekken. Deze burgers volgen allemaal een Gidsencursus bij de IVN, afdeling Oost Achterhoek. Tijdens een wandeling rondom Eibergen leerden ze de verschillende landschapstypen (h)erkennen in het (agrarische) landschap. Deze wandeling sloot perfect aan bij het doel van het praktijknetwerk: “GLB brengt variatie in het landschap”. Dit netwerk richt zich op het invullen van het toepassen van de vergroeningsmaatregelen door agrariërs. Een belangrijk uitgangspunt hierbij is dat zij kiezen voor maatregelen, die passen binnen de verschillende landschapstypen en -visies voor het desbetreffende gebied. De wandel leverde een positieve bijdrage aan het ontwikkelen van nieuwe kennis door kennisuitwisseling.

De start was bij de oude Blekerij Op den Bleek nabij de Berkel. Jacqueline Collou nam de deelnemers mee op ontdekkingstocht. Alle deelnemers beschikten over een kaart van begin 1900 en de huidige plattegrond van Eibergen nu. Collou is naast vrijwilliger bij de IVN ook eigenaar van een adviesbureau Collou, waar ze zich onder andere bezig houdt met landschapsontwerp. Zij kent het gebied op haar duimpje en heeft door haar werkzaamheden bij VAN Berkel en Slinge veel ervaring met agrarisch natuurbeheer en behoud.

De insteek van de tocht was continue het zoeken naar de verschillen. Wat is er terug te vinden in het landschap en hoe is het opgebouwd. Al lopend door het landschap rondom Eibergen kwamen we drie kenmerkende landschapstypen tegen. Namelijk de heide- of veldontginningen, het essen- of kampenlandschap en het beekdal.

Heide- of veldontginningen

Het landschap kenmerkt zich door het vlakke halfopen karakter. Een rationale verkaveling met de bebouwing gelegen aan wegen.

Vanaf de tweede helft van de 19e eeuw werden de gemeenschappelijke woeste heidegronden ontgonnen. Eerst geleidelijk en later ook op grote schaal. Dit jonge ontgin­ningslandschap wordt grotendeels gekenmerkt door verspreide bebouwing her en der. De erven zijn vaak naar de weg gericht en kennen een rationele opbouw in de opstallen en de be­planting. Op de mindere vruchtbare heidevelden werd bos aangelegd voor de mijnbouw (stuthout). Deze werden later gebruikt voor recreatie. Door deze bossen, de beplanting langs de wegen en de erven is het landschap hier relatief besloten.

Essenlandschap

Het Essenlandschap is het oudste agrarische landschap van Nederland. Het stamt uit de vroege Middeleeuwen. Bewoners vestigden zich op de rand van de grote dekzandcomplexen. Hier bouwden ze op de grens tussen hoge dekzandruggen en beekdalen boerderijen. De boerderijen en verdere bebouwing lagen rondom een grote Es. Het waren toen veelal gemengde bedrijven. Op de hoge en droge werden akkers aangelegd en de lage natte beekgronden werden gebruikt als weide- en hooiland. Met mest uit de potstal werden de dekzandruggen door de eeuwen heen met een dikke humuslaag verhoogd. Dit zorgde voor een vruchtbare bodem op de nogal schrale dekzandakkers. ‘’Duizend jaar is goed voor een verhoging van een es tot ongeveer één meter’’, licht Collou toe. ‘’Zo ontstonden dus de hoge essen. Deze essen werden omgeven door houtwallen, bedoeld om het wild bij de gewassen weg te houden’’, gaat ze verder. Deze essen zijn tijdens de wandeling zeker terug te vinden. Toch zijn veel houtwallen door de jaren heen verdwenen door bebouwing en grootschalige landbouw. Ook door de intrede van het prikkeldraad werden de wallen overbodig als veekering en sneuvelde veel van deze houtwallen.

Kampenlandschap

Het Kampenlandschap bestaat uit een relatief onregelmatige verkaveling, kleine eenmans engen of kampen. Met kronkelige wegen er tussen door. Deze kampen ontstonden door hoogte verschillen in het gebied. Een kamp bestond uit een boerderij die dicht bij een droge akker, een es of een enk lag. De lage gronden in de buurt van de boerderij was voor het vee bestemd. Verder van de boerderij lagen natte hooigronden en op de droge gronden stond heide of bos. De plaggen staken ze of en dienden voor stalstrooisel en uit het bos werd het hout gehaald. Om de gewassen te beschermen legde men houtwallen aan. De beplanting in het Kampenlandschap bestaat verder uit bomenrijen langs percelen, singels en eikenbosjes, weg- en laanbeplanting en solitaire bomen. De boerderij lag veelal dicht bij een stroompje of beekje. Nabij de boerderij lag vaak een griefhoutbosje, boomgaard en een moestuin. Her en der in het landschap zijn kampen nog gedeeltelijk intact gebleven. ‘’Oude bomenrijen en stukken van houtwallen zijn hier terug te vinden’’, zegt Collou. “Veel houtwallen hebben hun daadwerkelijke functie verloren door achterstallig of geen onderhoud’’, gaat Collou verder. Door houtwallen niet tijdig te snoeien, krijgen grote bomen de overhand. De bebossing die diende als veekering verdwijnt en grote bomen krijgen vrij spel. Grote bomen worden veelal als last ervaring door agrariërs. Uiteindelijk kappen ze dan maar alle bomen weg’’, is de ervaring.

Het beekdal

De Berkel ligt in een beekdal, een gebied dat van oudsher met enige regelmaat overstroomde. Hier stond dus geen bebouwing maar de grond werd gebruikt als hooiland. Het was van oorsprong een open gebied waarin geen of weinig bomen stonden maar wel hagen langs een onregelmatige of blokverkaveling. Bij de ontginning is meestal een blokverkaveling toegepast. De wegen en het water lopen een slingerend door het landschap. Door de jaren heen zijn de slingers uit de Berkel gehaald. “Nu zijn we op het punt aangekomen om bestaande elementen uit het verleden weer te herstellen’’, zegt Collou.
Nabij de Berkel is een groot stuk land afgegraven en vindt vernatting plaats. De Berkel krijgt ruimte om te meanderen op verschillende plekken. ‘’Toch blijft het moeilijk om elementen te herstellen’’, gaat Jacqueline verder. Je hebt toch te maken met grondeigenaren, veelal agrariërs, die al van oudsher op deze percelen boeren. Vaak hebben ze een emotionele binding met de gronden, waardoor het moeilijk is in hun ogen goede landbouwgrond te gebruiken voor het inpassen van cultuurhistorische en landschapselementen. Zeker als er geen passende vergoeding tegenover staat’’, is een typerende conclusie.

Voor meer informatie: netwerkbegeleider Monique Nieuwenhuis