Nieuws

Jongvee-opfokbedrijven halen hun winst met de BEX-jongvee

Gepubliceerd op
2 juni 2014

Het Praktijknetwerk Jongveemestproductie en mineralenbenutting heeft op basis van haar resultaat bij jongveeopfokbedrijven bij het Ministerie van Economische Zaken een verzoek ingediend om de excretienormen voor jongvee naar beneden bij te stellen. Het Ministerie heeft als reactie gegeven dat ze van plan is voor alle jongvee per 1 januari 2015 de forfaits naar beneden te willen aanpassen.

Het jongvee op de jongveeopfokbedrijven heeft echter door een beter uitgekiende voeding vaak een nog lagere excretie dan het jongvee op melkveebedrijven. Daarom kunnen deze bedrijven door gebruik van de BEX-jongvee meer mest op hun eigen land aanwenden en hoeven ze minder af te voeren. 

Excretie

Het Praktijknetwerk Jongveemestproductie en mineralenbenutting, begeleid door DLV Rundvee Advies heeft als resultaat laten zien dat de werkelijke excretie op jongveeopfokbedrijven lager is dan de huidige forfaitaire excretienormen. DLV heeft daarvoor over de jaren 2011 en 2012 op 71 gespecialiseerde opfokbedrijven de werkelijke excretie berekend. Het resultaat is een gemiddeld lagere N-excretie van 19%, oplopend tot 40% lager. De gemiddelde P-excretie is 16% lager en loopt individueel op tot ruim 40% lager. De Commissie Deskundigen Meststoffenwet heeft de resultaten besproken.

Zij geeft aan dat voor de gespecialiseerde opfokbedrijven de bedrijfsspecifieke excretieberekening (BEX) de beste methode is om de excretie van stikstof en fosfaat vast te stellen. Het voordeel voor deze bedrijven is dat minder mest afgevoerd hoeft te worden. De ervaring van de jongveeopfokkers is dat er vaak te weinig bemest kon worden en daarmee de ruwvoer productie op eigen bedrijf achter bleef. De mestplaatsingsruimte is nog groter wanneer ook gebruik gemaakt wordt van derogatie. Het verzoek voor aanpassing van de normen is gedaan samen door het praktijknetwerk, DLV Rundvee Advies, LTO en NMV.

Tips

Voor het realiseren van een betere mineralenbenutting heeft het netwerk een aantal praktische tips opgeleverd:

  • Rantsoen op leeftijd aanpassen: jonge dieren hogere voederwaarde (o.a. meer snijmaïs) dan oudere dieren. Bijvoorbeeld gemiddeld rantsoen tot 10 maanden 900-950 VEM en daarboven 850 VEM per kg droge stof.
  • 1e jaar hard laten groeien en daarna letten op vervetten. Later groeiachterstand inhalen valt niet mee. Dit gaat ten koste van de voerefficiëntie.
  • Voldoende verschillende leeftijdsgroepen maken (6 groepen van 0-2 jaar).
  • Krachtvoer op maat voeren, vooral aan de jongere dieren.
  • Zorgen voor een passende mineralenvoorziening. Dit betekent naast voldoende sporenelementen ook niet meer fosfaat dan nodig.
  • Lager ruw eiwitgehalte in het rantsoen. In de praktijk blijkt een gemiddeld RE-gehalte van 13-14 % in de droge stof meestal voldoende. Dit kan bereikt worden door minder grasproducten te voeren of gras in een ouder stadium in te kuilen. Nadeel is dat dit laatste ten koste kan gaan van de kwaliteit van het grasland. Door meer snijmaïs, stro of graszaadhooi of andere eiwitarme producten te voeren kan het RE in het rantsoen ook verlaagd worden. Voer niet teveel eiwitrijk krachtvoer.
  • Bijvoeren van laagwaardig voer bij te rijke rantsoenen om te vet worden te voorkomen: stro, graszaadhooi.