Nieuws

25 jaar bemestingsadvies in de maïs

Gepubliceerd op
15 november 2013

In 25 jaar zijn we van mestgiften tot 300 kuub per ha in de maïs terug gegaan naar een mestgift van 40 kuub in de rij. Wim van Dijk (Praktijkonderzoek Plant & Omgeving, onderdeel van Wageningen UR) neemt na bijna 25 jaar afscheid van de CBGV. Hij blikt terug op 25 jaar bemestingsadvies.

25 jaar onderzoek en de CBGV heeft ons veel goeds gebracht, aldus Wim. Een veel hogere efficiëntie en veel minder verliezen. Een goede basis voor de toekomst met voldoende aangrijpingspunten voor verdere verbetering. . Het spanningsveld tussen advies en gebruiksnorm zal de aandacht blijven vragen.

Wim van Dijk

Wim van Dijk  blikt terug op bijna 25 jaar CBGV

“Na een kleine 25 jaar onderzoek in maïs en bemesting van akkerbouw- en groentegewassen heb ik vorig jaar besloten me te gaan bezighouden met een ander werkgebied, dat van groene energie en groene grondstoffen. Dat doe ik bij ACRRES, een samenwerkingsverband van Praktijkonderzoek Plant en Omgeving en Livestock Research, beide onderdeel van Wageningen UR. Een groot deel van die tijd ben ik ook lid geweest van de Commissie Bemesting Grasland en Voedergewassen (CBGV). Met de nieuwe functie komt ook hieraan een eind. Een moment om even terug te blikken.

Tot wel 300 ton mest per ha

Ik zat in de CBGV vooral voor inbreng van kennis over de “V” in de naam van de commissie, de voedergewassen, voornamelijk maïs als voedergewas dus. Het gewas mais roept niet altijd bij iedereen een hoera-stemming op. Hoewel het een uitstekend ruwvoer is, werd het in het verleden vaak geassocieerd met overmatig mestgebruik en nitraatuitspoeling. Toen ik in 1990 bij het toenmalige PAGV begon als onderzoeker voedergewassen vond ik de boekjes waarin de proeven werden beschreven met tot wel 300 ton mest per ha! En het gewas leek er ook weinig onder te lijden. Inmiddels leven we in een totaal andere tijd. Door aangescherpte mestwetgeving en toenemende bewustwording van het belang van een gezond leefmilieu zijn de mestgiften bijna gedecimeerd. Maar ook verbetering van de bemestingsadviezen heeft hieraan, denk ik, een wezenlijk steentje bijgedragen.

Aanpassingen bemestingsadvies

In de periode dat ik lid ben geweest van de CBGV zijn de bemestingsadviezen voor maïs regelmatig aangepast en is gebleken dat er voldoende aanknopingspunten zijn voor een efficiënte bemesting.

De eerste grote aanpassing die ik meemaakte was de ontwikkeling van een nieuw stikstofbemestingsadvies begin jaren negentig. Nieuwe elementen waren onderscheid tussen situaties met wel en geen regelmatig gebruik van mest, rekening houden met minerale bodem-N in het voorjaar en een advies voor een aanvullende gift in het 4-5 bladstadium als er twijfels zijn over de N-voorziening op dat moment. Het advies is nog steeds geldig en geeft aan dat gemiddeld met 160 kg werkzame stikstof een goed gewas maïs is te telen. In termen van mest betekent dit 50 ton mest aangevuld met een rijenbemesting met 20 kg kunstmest-N per ha.

Eind jaren negentig is het advies uitgebreid met een advies voor N-rijenbemesting (20% efficiënter dan volvelds) en richtlijnen voor N-nalevering van een vanggewas, inmiddels wettelijk verplicht op zand– en lössgrond, en gescheurd grasland.

Verschillende draaiknoppen

Recentelijk is ook het fosfaatadvies aangepast, waarbij de behoefte niet meer is gebaseerd op het Pw-getal maar op een combinatie van P-CaCl2 en P-Al. Omdat zowel voor stikstof als fosfaat rijenbemesting gunstig is en veehouders liefst zo weinig mogelijk kunstmest willen gebruiken, zijn er ook richtlijnen voor rijenbemesting met dierlijke mest aan het advies toegevoegd.

Zo heeft de veehouder inmiddels verschillende knoppen om aan te draaien. Bij een geslaagd vanggewas en wanneer de mest in de rij wordt toegediend kan met circa 40 ton mest worden volstaan. Dat is slechts 110-120 kg werkzame stikstof per ha, een bemesting op het scherpst van de snede. Wel moet er op worden gelet dat met mestgiften van deze omvang  vaak extra kali zal moeten worden bijgegeven.

Beschikbaar stikstof en fosfaat optimaal verdelen

Er is ook veel veranderd in de omgevingswereld waarin de adviezen worden toegepast. Eerst was de boodschap vooral om niet meer te geven dan nodig is. Hoe vaak hebben we bij inleidingen niet verteld dat je met 40-50 ton mest een goed gewas maïs kan telen. Of om niet standaard een fosfaatrijenbemesting te geven, maar eerst te kijken naar de fosfaattoestand van de bodem. Inmiddels hebben we te maken met een omgekeerde situatie. De mestwetgeving leidt er toe dat niet in alle gevallen meer volgens advies kan worden bemest. De boodschap is nu vooral: hoe kan ik opbrengstderving zo veel mogelijk voorkomen en hoe verdeel ik de beschikbare stikstof en fosfaat optimaal over de percelen.

Zo is op zand- en lössgrond in Zuid-Nederland bijvoorbeeld het voorstel om vanaf 2015 de N-gebruiksnorm van maïs te verlagen met 20%. Dat betekent een toegestane bemesting van ruim 110 kg werkzame N per ha. Zoals ik hierboven heb geschetst, zal dit zonder een geslaagd vanggewas en zonder toepassing van rijenbemesting leiden tot lagere opbrengsten. Ook zijn er vragen rond het effect van lagere bemestingen op de bodemvruchtbaarheid (handhaving organische stofgehalte en N-leverend vermogen).

Ook de opbrengsten zijn flink gestegen, vanaf begin jaren negentig met circa 30-35%. Dit is natuurlijk gunstig voor de veehouder, maar aandachtspunt bij de bemesting is dat hierdoor doorgaans ook de onttrekking van nutriënten toeneemt. Om de chemische bodemvruchtbaarheid op peil te houden zal de hogere onttrekking moeten worden gecompenseerd. De bemestingsadviezen houden daar overigens al rekening mee, denk aan de bodemgerichte adviezen voor fosfaat en kali.

Spanningsveld tussen advies en gebruiksnorm

Al met al heeft die 25 jaar onderzoek en CBGV ons veel goeds gebracht. Een veel hogere efficiëntie en veel minder verliezen. Een goede basis voor de toekomst. En er zijn nog voldoende aangrijpingspunten voor verdere verbeteringen en uitbreidingen zoals richtlijnen voor bodemvruchtbaarheid (organische stofbalans, wat kunnen we met biologische bodemvruchtbaarheid), N-leverend vermogen (vooralsnog moeilijk verhaal op bouwland), advisering op basis van intensiteit en capaciteit (bij fosfaat inmiddels doorgevoerd, maar nog niet bij kali en andere elementen). En ook het spanningsveld tussen advies en gebruiksnorm zal de aandacht blijven vragen.

Kortom, er is nog voldoende werk aan de winkel voor de CBGV om de veehouder handvaten te bieden voor een optimale bemesting op haar of zijn bedrijf. Dat laat ik nu over aan anderen. Vanuit PPO zal Janjo de Haan mijn plaats innemen. Ik wens de commissie-leden, LTO en gebruikers veel wijsheid en succes bij hun verdere werk en ik wil hun bedanken voor de altijd prettige samenwerking.”